|
PORTRETTEN
Birgitta Hogendoorn (50)
'Ik zou me nu bescheidener opstellen'
In gesprek met een opmerkelijke vrijwilliger van de maand: Birgitta Hogendoorn (50) blikt na vijftien jaar terug op 'haar' pindakaasfabriekje in Maputo, Mozambique.
Een inkomen voor Gilda
'Begin jaren negentig woonde ik met mijn gezin een paar jaar in Maputo, Mozambique. In die tijd was de situatie op een dieptepunt. De stad was een soort eiland, temidden van een wrede burgeroorlog. Er was voor de gewone bevolking vrijwel niets meer te koop. Wij, als ex-pats, konden natuurlijk altijd nog terecht in de dollarwinkel, waar allerlei geïmporteerde spullen te koop waren.
Daar kon je bijvoorbeeld diverse merken pindakaas kopen uit Zuid-Afrika. Terwijl pinda's in Mozambique op grote schaal geteeld worden.
Onze hulp in de huishouding, Teresa, vertelde hoe een nicht van haar, Gilda, opeens door haar "mevrouw" was weggestuurd. Zoals zo veel vrouwen moest ook deze Gilda in haar eentje voor vijf kinderen zorgen. Op het platteland was het levensgevaarlijk en veel Mozambikanen stuurden hun kinderen naar familie in de stad. Mijn eerste motivatie was dus dat er iets gevonden moest worden om deze Gilda een inkomen te geven. En toen legde ik de link met pindakaas.'
Een verrassend simpel product
'We begonnen simpel: we kochten een paar kilo's pinda's, roosterden die in mijn oven en Gilda wreef die fijn in een aardewerken vijzel, de "moinho". We experimenteerden wat, een beetje zout en suiker erbij, en het smaakte prima.
Bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen vroeg ik informatie over pindakaasproductie en die stuurden me een brochure die in de volgende jaren zo'n beetje onze "bijbel" werd. We kwamen erachter dat pindakaas eigenlijk een verrassend simpel product is. De olie kwam weliswaar bovendrijven, maar dat vond niemand een probleem. Bij Calvé doen ze er geharde palmvetten in, dat vonden wij niet nodig. Was ook onmogelijk geweest, in onze situatie.
Wel controleerden we de pinda's met een lamp op een giftige schimmel, die een kankerverwekkende stof produceert: aflatoxine. Allemaal geleerd uit het boekje van het KIT.'
Grote vraag, tekort aan dekseltjes
'Markt was er genoeg in Maputo. Al die medewerkers van buitenlandse organisaties wilden best een lokaal product kopen. Het liep dus meteen al lekker. Al snel kon Gilda het hoofd boven water houden. Winkels, vooral van Indiërs, vonden ons initiatief sympathiek en verkochten onze pindakaas graag.
De pindakaas was geen probleem, maar we hadden een schreeuwend tekort aan potjes. Die lieten we door straatjongens her en der inzamelen, maar dat was al snel onvoldoende. Toen moesten we een tijd potjes uit Zuid-Afrika importeren, alleen omdat er geen dekseltjes in Mozambique te krijgen waren. Maar de vraag groeide gestaag, Gilda werkte keihard en ik was optimistisch. Maar: de onvermijdelijke papierwinkel was een groot probleem. En die hebben we achteraf gezien niet goed aangepakt.'
Een periode van grote euforie
'Het barstte in Maputo van de hulporganisaties en -instanties en we ontmoetten overal sympathie. Een organisatie van een paar Europese landen leende ons een bedrag en er kwam wat geld uit een ambassadepotje. Voor dit soort kleine doelen hebben bijna alle ambassades wel wat geld beschikbaar. Met wat steun uit Nederland hadden we startkapitaaltje van zo'n 60.000 gulden en daar redden we ons prima mee. Een Mozambikaanse studente, Celia Jamal, gaf les in boekhouden en rekenen en hielp met de administratie en de lokale contacten.
We kochten een pandje en een molentje en lieten etiketten fabriceren. Het was een periode van grote euforie. Op een gegeven moment werkten er negen vrouwen in onze pindakaasfabriek. Ze stonden op een jaarbeurs in prachtige kapulana's (traditionele Afrikaanse kleding), we hadden een logo, we werden lid van een organisatie van vrouwelijke ondernemers, het kón niet op. We hadden aan alle kanten de wind mee.'
Een "knuffelproject"
'We hadden hooggestemde idealen: onze pindakaasfabriek zou voor, door en met vrouwen werken. We werkten met lokale grondstoffen en onze medewerkers kwamen uit de arme wijk zelf waar ook het fabriekje stond. Als organisatievorm kozen we niet voor de gebruikelijke socialistische Cooperativa, maar voor een Sociedade Limitada, een BV. Geen soft gedoe, wij gingen er een écht bedrijf van maken. We deden mee aan pretentieuze en hooggestemde congresjes, we waren een "knuffelproject".
Gestolen voorraad
'Ik was niet de directeur, maar de initiatiefnemer en de aanjager van het project. Onbetaald, uiteraard. We deden allerlei pogingen om het bedrijf te laten groeien en probeerde bijvoorbeeld ook onze pindakaas te exporteren. Bij Nederlandse organisaties, zoals SOS Wereldhandel, ving ik bot. Om verder te kunnen groeien hadden we een betere administratie nodig. Dat bleef een zwak punt, net als het voorraadbeheer.
Op een gegeven moment bleek dat er voorraden gestolen werden uit onze fabriek en dat kon alleen maar gedaan zijn door onze eigen medewerkers. Ik heb dat openlijk met de vrouwen besproken en dat was het begin van veel ellende. De vrouwen sloten de rijen en ik kreeg de onderste steen niet boven water. Natuurlijk waren er wél extra controlemaatregelen nodig en dat wekte ook weer wrevel. Er moest hulp van buitenaf komen, dat was duidelijk.'
Enorme schade in drie weken
'Het PUM (Project Uitgezonden Managers) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken stuurde een tijdelijke gepensioneerde manager om een eenvoudig administratie- en voorraadbeheersysteem op te zetten en dat vervolgens aan de vrouwen te leren. Die man is er maar drie weken geweest, maar de schade die hij heeft aangericht is enorm. Achteraf hoorden we dat hij bij zijn vorige project ook al vroegtijdig was weggestuurd wegens slecht functioneren, maar dat wisten wij niet en ik vestigde mijn hoop op hem.
Hij drong erop aan om de hele papierwinkel van de erkenning van ons bedrijf als BV naar hem over te hevelen. Dat was namelijk nog steeds niet rond, we waren daar via een bevriende Mozambikaanse advocate mee bezig en dat duurde lang, ook omdat ze gratis voor ons werkte. Dat was een enorme fout, om die man dat hele complexe dossier in handen te geven. Daardoor werden alle ambtelijke vorderingen die we al binnen hadden, ongedaan gemaakt.'
Gewichtige en incompetente meneer
'De PUM-man vond het wel plezierig: de wijze man uit het westen uithangen bij zo'n groepje vrouwen. En die lieten zich iets te graag door hem feteren. Ze waren zeer onder de indruk van deze gewichtige maar incompetente meneer. Voeg dat bij de irritatie die er al was tegenover mij vanwege de diefstal die ik had proberen aan te kaarten, en de crisis was compleet. De vrouwen keerden zich, op twee na, tegen mij. Aangevoerd door de tijdelijke PUM-man, die het allemaal wel eens even zou regelen: "Meisjes, maken jullie je maar geen zorgen, ik los het wel op."
Ik heb me toen helemaal teruggetrokken; het was tenslotte het bedrijf van deze vrouwen en niet van mij. Wel kon ik er nog voor zorgen dat de PUM-man na een paar weken werd teruggehaald naar Nederland, maar toen was het al te laat. De verhoudingen waren blijvend verstoord.'
Immens verschil in rijkdom
'Ik heb de basisongelijkheid tussen mij en de Mozambikaanse vrouwen onderschat. Hoe kan ik deze vrouwen kwalijk nemen dat ze frauderen en stelen, als hun kinderen honger hebben? Ik kan niet de morele kracht verwachten om integer te zijn van mensen die het veel slechter hebben dan ik zelf. Dat was niet eerlijk van me. Ik had misschien in hun situatie precies hetzelfde gedaan.
Eigenlijk kwamen alle problemen neer op het immense verschil in rijkdom tussen ons. Ik beschouwde de vrouwen als vriendinnen en collega's, ik vertrouwde mijn kinderen soms aan ze toe, en nu moest ik ze wantrouwen. Ik heb me teruggetrokken om er zelf niet teveel onder te lijden en om het bedrijf geen schade toe te brengen. We zijn on speaking terms gebleven, maar verder samenwerken ging niet meer.'
Onbewuste bevoogding
'De fouten die ik heb gemaakt, zie ik duidelijk. Ik ben ondanks alle idealen over dat het bedrijf van hén was, toch teveel zelf de baas gebleven. Onvermijdelijk misschien, omdat al het geld nu eenmaal via mij of door mijn bemiddeling binnenkwam. Maar ik bleef daardoor teveel de senhora, aan wie elke beslissing werd voorgelegd. En ondanks alle lessen in rekenen en taal, was er te veel ongelijkheid in kennis. Onbewuste bevoogding, zo noem ik het nu. Ten tweede hadden we de juridische basis veel beter moeten leggen. We waren al volop aan het werk zonder dat essentële dingen geregeld waren.
We maakten bijvoorbeeld de directrice tijdelijk eigenaar van het bedrijfspandje. Dat gingen we laten nog wel een keer "goed regelen". Erg stom. Anderzijds: op alle trage bureaucratie wachten, was ook geen optie.
Een Mozambikaanse vriendin is anderhalf jaar geleden teruggeweest in Maputo en zag dat de pindakaas van ons merk nog in de winkels stond. Daar ben ik blij om, het bedrijf bestaat dus nog op de een of andere manier. Hopelijk verdienen er nog steeds vrouwen een inkomen mee. In het bedrijfspandje woonde de broer van de directrice…
Bescheidener doelstellingen
'Wat ik nu anders zou doen? Ik zou mezelf meer op de achtergrond houden, eerder deskundige juridische en administratieve hulp inroepen en de medewerksters beter scholen. En het initiatief meer bij de vrouwen laten, zelfs als dat ten koste van het tempo zou gaan. Het moet hún project zijn. Vooral: ik zou bescheidener zijn in mijn doelstellingen en hooggestemde idealen.
Maar ik ben niet cynisch geworden: er gebeuren overal in ontwikkelingslanden prachtige dingen. Als ik nu weer in een dergelijk land zou wonen, zou ik weer zoiets oppakken. Mét alles wat ik geleerd heb in mijn achterhoofd.'
Marjan Smeitink
< Terug naar index
|